Opzeggingstermijn en carensdag voor arbeiders ongrondwettig (arrest Grondwettelijk Hof - 7 juli 2011)
Op 7 juli 2011 deed het Grondwettelijk Hof uitspraak in een belangwekkende zaak, die de wereld van het Belgische arbeidsrecht ongetwijfeld sterk zal beroeren. Het Grondwettelijk Hof oordeelde dat de wettelijke bepalingen van de Arbeidsovereenkomstenwet met betrekking tot de duur van de opzeggingstermijn voor arbeiders en de carensdag voor arbeiders in strijd zijn met het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel. De wetgever krijgt twee jaar (uiterlijk tot 8 juli 2013) de tijd om deze “manifeste ongrondwettigheid” recht te zetten.
1. Het geschil dat aanleiding gaf tot de prejudiciële vragen
Een werknemer die vanaf 1999 als arbeider (werkman) tewerkgesteld was voor een kledingbedrijf met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, werd in april 2008 door zijn werkgever ontslagen met betaling van een opzeggingsvergoeding gelijk aan het loon voor een periode van 28 dagen. De werknemer was het niet eens met deze gang van zaken en stapte naar de arbeidsrechtbank te Brussel.
Hij vorderde onder meer een aanvullende opzeggingsvergoeding ten belope van zes maanden loon omdat hij van mening was dat de wettelijke opzeggingstermijn van 28 dagen voor arbeiders voorzien in artikel 59 van de Arbeidsovereenkomstenwet ruimschoots onvoldoende was om een nieuwe, gelijkwaardige betrekking te vinden. Het feit dat een bediende op grond van artikel 82 van de Arbeidsovereenkomstenwet in dezelfde omstandigheden aanspraak kan maken op een veel hogere opzeggingsvergoeding, is volgens de werknemer in strijd met het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel.
Daarnaast vorderde de werknemer ook achterstallig loon voor een periode van afwezigheid die de werkgever als een carensdag had beschouwd. Het mechanisme van de carensdag bestaat enkel voor (sommige) arbeiders en is terug te vinden in artikel 52, § 1, tweede lid van de Arbeidsovereenkomstenwet. Het mechanisme houdt in dat de werkgever geen loon verschuldigd is voor de eerste dag van afwezigheid wegens arbeidsongeschiktheid wanneer de totale duur van de afwezigheid minder dan veertien dagen bedraagt. Omdat de carensdag niet voorzien is voor bedienden, argumenteerde de werknemer ook hier dat de bestaande wettelijke regeling in strijd is met het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel.
2. De prejudiciële vragen
In een arrest van 1993 deed het toenmalige Arbitragehof (thans Grondwettelijk Hof) een eerste maal uitspraak over de verenigbaarheid met het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel van het verschil in behandeling tussen arbeiders en bedienden op het vlak van de opzeggingstermijnen (Arbitragehof 8 juli 1993, nr. 56/93). Het Arbitragehof stelde daarbij vast dat het onderscheid tussen arbeiders en bedienden voornamelijk op de aard van het verrichte werk berust (in hoofdzaak manuele versus intellectuele arbeid). Het invoeren van een verschil in behandeling op grond van dit criterium, zou volgens het Hof in de toenmalige context “bezwaarlijk objectief en redelijk verantwoord” zijn. Niettemin verkoos het Arbitragehof de weg van de geleidelijke toenadering tussen de statuten van arbeiders en bedienden boven de plotse afschaffing van het onderscheid, en was het van oordeel dat het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel niet geschonden was.
Acht jaar later bevestigde het Arbitragehof zijn initiële standpunt in een zaak die betrekking had op de regeling van willekeurig ontslag (Arbitragehof 21 juni 2001, nr. 84/2001).
Het bestaan van deze uitspraken weerhield de arbeidsrechtbank te Brussel er in bovenvermeld geschil echter niet van om de volgende twee vragen aan het Grondwettelijk Hof te stellen:
a) Schenden de artikelen 59 en 82 van de Arbeidsovereenkomstenwet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre zij voorzien in een verschillende termijn voor de opzegging gegeven aan een arbeider of aan een bediende met beiden dezelfde anciënniteit?
b) Schenden de artikelen 52, § 1 en 70 van de Arbeidsovereenkomstenwet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre, in tegenstelling tot de bediende met een overeenkomst voor onbepaalde duur wiens proeftijd is beëindigd, voor de arbeider die zich in dezelfde contractuele situatie bevindt, in geval van arbeidsongeschiktheid wegens een andere ziekte dan een beroepsziekte, of wegens een ander ongeval dan een arbeidsongeval of een ongeval op de weg naar of van het werk één carensdag wordt geteld wanneer de arbeidsongeschiktheid geen veertien dagen duurt?
3. De uitspraak van het Grondwettelijk Hof van 7 juli 2011
Het Grondwettelijk Hof deed vandaag, op 7 juli 2011, uitspraak over de aangehaalde prejudiciële vragen. Het is van oordeel dat de artikelen 52, § 1, tweede tot vierde lid van de Arbeidsovereenkomstenwet en artikel 59 van de Arbeidsovereenkomstenwet het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel schenden. Niettemin worden de gevolgen van de genoemde wetsbepalingen gehandhaafd totdat de wetgever nieuwe bepalingen aanneemt, en dit uiterlijk tot 8 juli 2013.
Om tot de ongrondwettigheid van het verschil in behandeling tussen arbeiders en bedienden te besluiten, baseert het Grondwettelijk Hof zich net als in 1993 op de vaststelling dat de wetgever, door het onderscheid tussen arbeiders en bedienden te doen steunen op de voornamelijk manuele respectievelijk intellectuele aard van hun werk, verschillen in behandeling heeft ingevoerd op grond van een criterium dat de invoering ervan op dit ogenblik bezwaarlijk objectief en redelijk zou kunnen verantwoorden. Anders dan in 1993 besluit het Grondwettelijk Hof op grond van deze vaststelling wel tot de ongrondwettigheid van de bestreden wettelijke bepalingen.
Het Grondwettelijk Hof stapt bijgevolg af van de afwachtende houding die het tot nog toe had aangenomen. Het benadrukt dat het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie zich niet verzet tegen een geleidelijke vermindering van de verschillen in behandeling tussen arbeiders en bedienden. De tijd waarover de wetgever vermag te beschikken om een vastgestelde ongrondwettige situatie te verhelpen is echter niet onbegrensd. Het doel van een geleidelijke harmonisatie van de statuten van arbeiders en bedienden verantwoordt niet langer dat sommige verschillen in behandeling nog geruime tijd kunnen worden behouden, waardoor een toestand van manifeste ongrondwettigheid zou worden bestendigd.
Toch bouwt het Grondwettelijk Hof enige reserve in door te verklaren dat de gevolgen van de betrokken wetsbepalingen (artikel 52, § 1, tweede tot vierde lid van de Arbeidsovereenkomstenwet en artikel 59 van de Arbeidsovereenkomstenwet) gehandhaafd worden totdat de wetgever nieuwe bepalingen aanneemt, en uiterlijk tot 8 juli 2013. Het besteedt in het arrest zeer veel aandacht aan de motivering van deze maatregel, die op zijn zachtst gezegd eerder ongebruikelijk is in het prejudicieel contentieux van het Hof.
Auteur: Instituut voor Arbeidsrecht (KULeuven) www.instituutvoorarbeidsrecht.be
Lees de volledige tekst van het arrest
Grondwetttelijk Hof - arrest nr. 125/2011 - van 7 juli 2011 (pdf, 65 KB)
Uitspraak: 7 juli 2011
Dit artikel werd laatst aangepast op 8 juli 2011.
Lees ook:
Grondwettelijk Hof zegt "ja maar" - Willy Van Eeckhoutte (Bellaw) - SoCompact 07/07/2011



