Belangrijke wijzigingen op til in de Belgische vakantiewetgeving (artikel - 13/02/2012)

 

Het ziet er naar uit dat de Belgische vakantiewetgeving in de komende tijd belangrijke wijzigingen zal ondergaan. Hoe komt dat?

1. Naar een Europese vakantie voor starters en herintreders

In een ontwerp van programmawet dat op 24 januari 2012 in een eerste lezing door de ministerraad werd goedgekeurd, wordt de wettelijke basis voor een "Europese vakantie" gelegd. Zoals de benaming al laat vermoeden, gaat het om een wijziging die in de Belgische vakantiewetgeving moet worden aangebracht onder druk van Europa.

De Europese regelgeving, het gaat in het bijzonder om de arbeidstijdrichtlijn 2003/88 van 4 november 2003, kent aan alle werknemers jaarlijks een vakantie met behoud van loon toe van ten minste vier weken.

De bestaande Belgische vakantiewetgeving werkt voor de particuliere sector met een systeem waarbij werknemers door prestaties (of met prestaties gelijkgestelde perioden) in een bepaald jaar (dat het vakantiedienstjaar wordt genoemd) rechten op vakantiedagen en vakantiegeld opbouwen die kunnen worden genoten in het daaropvolgende kalenderjaar (dat het vakantiejaar wordt genoemd). Dat systeem heeft als gevolg dat er gevallen zijn waarin werknemers gedurende een bepaald (vakantie)jaar helemaal geen recht hebben op vakantie omdat zij in het daarin voorafgaande (vakantiedienst)jaar geen arbeidsprestaties in de particuliere sector hebben geleverd. Zo is er tijdens het eerste jaar van de tewerkstelling geen recht op vakantie. In de regel hebben ook werknemers die na een lange periode niet te hebben gewerkt, opnieuw aan de slag gaan, in het jaar waarin ze de arbeid hervatten geen recht op vakantie. Ten slotte kunnen ook werknemers die overstappen van de publieke sector naar de particuliere sector, in het eerste jaar van hun tewerkstelling in de particuliere sector niet met vakantie.

De Europese Commissie heeft België erop gewezen dat dit in strijd is met de arbeidstijdrichtlijn 2003/88. België moet dringend het nodige doen om zijn wetgeving aan te passen. Daarom voorziet het ontwerp van programmawet in een zogenaamde Europese vakantie die erin bestaat dat in de hierboven vermelde gevallen per gewerkte periode van drie maanden, vakantie zal worden toegekend en dat tijdens de laatste week van de betrokken drie maanden. Voor die Europese vakantiedagen zal ook vakantiegeld worden toegekend. Dat vakantiegeld zal nadien worden verrekend op het dubbel vakantiegeld of het vertrekvakantiegeld. Het spreekt voor zich dat wij hierop terugkomen wanneer de betreffende wettekst wordt gepubliceerd.

2. De niet-overdraagbaarheid van de vakantie: nood aan een wetswijziging?

De creatie van de Europese vakantie betekent niet dat het werk van de Belgische wetgever klaar is. Ook op andere vlakken is de Belgische vakantieregeling niet in overeenstemming met de arbeidstijdrichtlijn 2003/88. Zo heeft het Hof van Justitie in een arrest van 20 januari 2009 beslist dat een nationale wetgeving in strijd is met de Europese regelgeving indien zij bepaalt dat het recht op jaarlijkse vakantie vervalt aan het einde van de naar nationaal recht vastgestelde periode voor het opnemen ervan, ook wanneer de werknemer tijdens die periode of een deel ervan met ziekteverlof is geweest en geen gebruik heeft kunnen maken van zijn recht op jaarlijkse vakantie (zie SoCompact nr. 32-2009). Niettegenstaande dat arrest werd gewezen in een Duitse zaak heeft het ook impact in België. De Belgische vakantiewetgeving bepaalt namelijk dat de vakantie moet worden toegekend binnen de twaalf maanden die volgen op het einde van het vakantiedienstjaar. Dat betekent dat een werknemer die zijn vakantie niet kan opnemen, bijvoorbeeld omwille van langdurige ziekte, zijn vakantie niet kan overdragen naar het volgende jaar en dus die vakantie verliest. En dat is precies wat door het Hof van Justitie in zijn arrest van 20 januari 2009 als strijdig met het Europees recht werd bestempeld.

In een recent arrest, namelijk een arrest van 22 november 2011, heeft het Hof van Justitie voor een tweede keer uitspraak gedaan over deze problematiek. Dat arrest betreft opnieuw de Duitse vakantiewetgeving in de hypothese waarin een werknemer omwille van ziekteverlof geen vakantie kan nemen. Specifiek voor de zaak die aanleiding gaf tot het arrest van 22 november 2011, is dat het gaat om een werknemer die meerdere jaren ononderbroken arbeidsongeschikt is en daardoor meerdere opeenvolgende jaren geen vakantie kan nemen. Het Hof van Justitie herhaalt wat het al besliste in 2009, namelijk dat een nationale bepaling waarbij een periode voor overdracht van vakantiedagen wordt vastgesteld, niet mag voorzien in het verval van het recht van de werknemer op jaarlijkse vakantie zonder dat de werknemer daadwerkelijk de mogelijkheid heeft gehad om van dit recht gebruik te maken. Het voegt daar evenwel aan toe dat die conclusie moet genuanceerd worden in specifieke omstandigheden zoals die er zijn in de zaak die ze behandelt. Het Hof van Justitie verfijnt daarom de redenering die het heeft opgebouwd in het arrest van 20 januari 2009.

Het recht op jaarlijkse vakantie dat wordt gewaarborgd door de arbeidstijdrichtlijn 2003/88 heeft een dubbel doel. Ten eerste moet de jaarlijkse vakantie de werknemer toelaten uit te rusten van de uitvoering van de taken die hem door de arbeidsovereenkomst worden opgelegd. Ten tweede moet de jaarlijkse vakantie de werknemer toelaten over een periode van ontspanning en vrije tijd te beschikken. Wanneer de werknemer gedurende meerdere opeenvolgende jaren arbeidsongeschikt is en aldus gedurende meerdere opeenvolgende perioden een recht op vakantie verwerft dat omwille van de arbeidsongeschiktheid niet kan worden opgenomen, dan heeft de overdracht van die vakantie naar een latere periode maar zin wanneer ze een bepaalde tijdsgrens niet overschrijdt. Wanneer vakantie zou worden opgenomen na een afwezigheid van meerdere jaren dan is dat immers geen tijd meer om uit te rusten van de verrichte arbeid, maar alleen een periode van ontspanning en vrije tijd. De cumulatie van rechten op jaarlijkse vakantie van een gedurende meerdere opeenvolgende perioden arbeidsongeschikte werknemer, mag dus beperkt worden. Dat wil zeggen dat in die hypothese het recht op vakantie beperkt mag worden door middel van een overdrachtperiode bij het verstrijken waarvan het recht op vakantie vervalt. In de Duitse zaak gold een overdrachtperiode van vijftien maanden en dat is volgens het Hof van Justitie in overeen-stemming met de arbeidstijdrichtlijn 2003/88.

De Europese rechtspraak lijkt voor de Belgische regeling dus een ietwat minder grote impact te hebben dan misschien gedacht werd na het arrest van 20 januari 2009. Wel bevestigt het arrest van 22 november 2011 nog eens dat de Belgische wetgever ook wat dit aspect van de vakantiewetgeving betreft in actie moet schieten.

3. Naar gelijke rechten op vakantie en vakantiegeld voor arbeiders en bedienden?

Ten slotte is er ook nog het arrest van het Grondwettelijk Hof van 7 juli 2011 dat aan de wetgever tot 8 juli 2013 de tijd geeft om "de harmonisatie van de statuten van arbeiders en bedienden te voltooien". Aangezien de Belgische vakantieregeling in belangrijke mate anders is voor arbeiders en bedienden, is er ook op dat vlak nog veel werk voor de boeg.

Auteur: Ann Taghon - www.bellaw.be

Datum: 10 februari 2012


Dit artikel werd op 13 februari 2012 via de juridische nieuwslijn Lexalert verstuurd.

Lexalert informeert u gratis en per e-mail over de juridische actualiteit relevant voor HR-managers.